cascade-onderwijsregelgeving

Schooljaar 2018/2019 is alweer halverwege. Bent u met uw school al goed voorbereid op de professionele dialoog over werkverdeling en tijd?

Op het eerste gezicht lijkt de nieuwe CAO-PO 2018-2019 niet veel nieuws met zich mee te brengen. Het werkverdelingsplan dat u dient op te stellen hoeft pas op 1 augustus a.s. gereed te zijn. Dit lijkt nog heel ver weg. En wellicht heeft u het huidige overlegmodel al klaar liggen op de plank om als format te gebruiken voor het nieuwe werkverdelingsplan. Schijn bedriegt echter, zoals blijkt als u de nieuwe CAO tekst gedetailleerd vergelijkt met het oude hoofdstuk 2: er zijn wel degelijk een aantal significante wijzigingen te bespeuren op het gebied van de werkverdeling en de tijd die daarbij is gemoeid. Hieronder wordt belicht welke verplichte stappen zijn vereist voor schoolleiders en directeuren in het primair en speciaal onderwijs.

Werkverdelingsplan vanaf 1 augustus 2019

De artikelen uit de nieuwe Bijlage XXI treden in werking op 1 augustus 2019.  Haast is bij de implementatie van het werkverdelingsplan echter wel geboden: de werkgever moet een tijdschema opstellen waardoor vóór de zomervakantie van 2019 bekend is welke werknemer welke taken/lessen uitoefent. Hierbij zijn een zestal fasen te onderscheiden.

Fase 1: besluiten van de werkgever

Artikel 2.1 regelt welke besluiten de werkgever moet nemen. In de eerste plaats dient de werkgever voor 1 mei 2019 vast te stellen: (a) meerjarenformatiebeleid en (b) bestuursformatieplan. De werkgever en de P(G)MR moeten vóór 1 mei 2019 overeenstemming hebben bereikt over deze twee documenten. In het bestuursformatieplan is in ieder geval opgenomen: (a) welke middelen de school krijgt en (b) de beschikbare formatie per brinnummer.  In de tweede plaats stelt de werkgever twee regelingen vast: (a) introductie en begeleiding van startende werknemers en (b) de wijze waarop de kaders van het vervangingsbeleid wordt vormgegeven bij de werkgever. Over deze twee onderdelen moet de werkgever de instemming verkrijgen van de P(G)MR.

Fase 2: voorbereiding op het gesprek over de werkverdeling en draagvlak

In deze fase dient de werkgever/schoolleider aan het team informatie te verschaffen op grond van artikel 2.2 (leden 1 tot en met 4). Ieder teamlid moet alle informatie ontvangt die nodig is om te komen tot een werkverdelingsplan. Het ligt voor de hand dat alle teamleden ook in de gelegenheid moeten worden gesteld om de vergaderingen hierover – onder werktijd – bij te wonen. Er dient daarbij “voldoende draagvlak” te zijn: streven naar consenus is daarbij uitgangspunt. Dit neigt naar het oude overlegmodel, dat na 1 augustus 2019 de prullenbak in mag. Het lijkt in die zin dus op een wat uitgebreider overlegmodel waarbij de werkgever logistiek gezien goed moet doordenken op welke manier iedereen aan bod kan komen en hoe die consensus dan kan worden bereikt. Dit lijkt mij voor een middelgrote tot grote school nog best een opgave.

 Fase 3: het gesprek

 Artikel 2.2 (leden 5 tot en met 7) gaat over het voeren van het gesprek met het team, jaarlijks voor de zomervakantie, over het werkverdelingsplan. Het lijkt mij te laat om dit pas te plannen na de meivakantie; ik zou aanraden om dit al te doen voor 1 mei. Het is aan te bevelen het bestuursformatieplan zo spoedig mogelijk, en dus ruim vóór 1 mei gereed te hebben, zodat de op schoolniveau beschikbare middelen al duidelijk zijn ten tijde van het voeren van deze gesprekken.

Fase 4: concept-werkverdelingsplan

 Artikel 2.2. (leden 8 en 9) stelt dat de werkgever het schriftelijk concept-werkverdelingsplan bepaalt op basis van het teamgesprek. Hierbij houdt de werkgever rekening met competenties, belastbaarheid, wensen en mogelijkheden van individuele werknemers en de noodzakelijke tijd voor professionalisering. Dat klinkt natuurlijk allemaal prachtig, maar dit betekent wel dat de werkgever hierover met alle individuele werknemers moet hebben gesproken. De tekst van bijlage XXI vermeldt dit niet, dus wanneer dit zou moeten gebeuren, blijft gissen: het lijkt erop dat dat gesprek plaatsvindt tussen het teamgesprek en het vaststellen van het concept werkverdelingsplan. Het concept wordt vervolgens aan de teamleden voorgelegd, om te peilen of er voldoende draagvlak is voor het concept. De wijze waarop wordt vastgesteld of voor het werkverdelingsplan voldoende draagvlak bestaat, moet vooraf zijn vastgesteld door het team. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er 2/3e meerderheid moet zijn behaald dan wel er unaniem overeenstemming is bereikt.

 Fase 5: concept voorleggen aan de PMR

 Artikel 2.2. lid 10 schrijft voor dat wanneer er voldoende draagvlak is, de werkgever het concept-werkverdelingsplan voorlegt aan de PMR. De PMR heeft instemmingsrecht. Hier dringt de vraag zich op of de PMR zich ook uit gaat laten over individuele personen, aangezien er in het concept dient te worden uitgegaan van competenties, belastbaarheid, wensen en mogelijkheden van de individuele teamleden. Dit blijkt niet duidelijk uit dit artikel.

Fase 6: inzet van het personeel 

Artikel 2.3 gaat over de inzet van de werknemer, waarbij het door de PMR goedgekeurde werkverdelingsplan dient te gelden als uitgangspunt. In deze fase wordt onder meer bepaald op welke dagen de werknemer de werkzaamheden dient te gaan uitvoeren. In lid 3 van het artikel is hierover namelijk een inspanningsverplichting opgenomen. Tevens komt de professionalisering uit artikel 2.2. lid 8 opnieuw aan bod: aangenomen mag worden dat het hier gaat om de inzet van de tijd van de professionalisering per werknemer.

Deze fase spreekt ook over instemming op basis van wederzijds goedvinden, met andere woorden: hier geldt het uitgangspunt dat de werknemer instemt met het voorstel van de schoolleider/werkgever als het gaat om de inzet van de uren, de dagen en de professionalisering. Het overleg tussen de werkgever en de werknemer is daarbij gericht op overeenstemming. Wordt deze niet bereikt, en zou er in dat geval een onwerkbare situatie op school ontstaan, dan stelt de schoolleider/werkgever de inzet van de werknemer eenzijdig vast. De schoolleider moet kunnen onderbouwen dat er een onwerkbare situatie ontstaat. Daarbij moet hij ook ingaan op de argumenten van de werknemer. Dit lijkt mij in de praktijk lastig: wanneer is die situatie dan onwerkbaar? De schoolleider moet daar dan dus zelf goed over nadenken. Het kan een hele puzzel worden om dat per individu te gaan bepalen.

Conclusie

Bent u daar nog? Op het eerste gezicht lijkt het nieuwe werkverdelingsplan uit de CAO PO 2018-2019 niet erg verstrekkend. Wat opvalt bij nadere bestudering van de tekst van de nieuwe onderdelen van het werkverdelingsbeleid, is dat de invoering hiervan nog wel enige aandacht vraagt van de schoolorganisatie. Een tijdige aanpak is daarbij van belang om dit proces in goede banen te kunnen leiden. Wat dat betreft raden wij aan om reeds nu stappen te zetten in dit proces, zodat de gehele invoering ervan transparant en zorgvuldig kan worden geïntroduceerd in schooljaar 2019-2020. Mocht u daarbij assistentie wensen, dan kunt u daarvoor uiteraard terecht bij Cascade advocaten. Wij kunnen u helpen met het implementeren van het werkverdelingsplan en de interne uitleg over de totstandkoming richting de belanghebbenden zoals directie en MR. Tevens kunnen wij stapsgewijs begeleiding bieden binnen uw organisatie over de implementatie.

Meer weten? Bel of mail naar Cascade advocaten: 070 – 4161664 of info@cascadeadvocaten.nl