Interview Cascade advocaten in ‘Advocatenblad’ over Corona in het onderwijs

Cascade advocaten is, als kantoor dat zich focust op de onderwijssector, geïnterviewd door ‘het Advocatenblad’ over de Corona crisis. Lees via onderstaande link het volledige artikel.

https://www.advocatenblad.nl/2020/04/30/de-anderhalve-meter-advocaat/

Tennisbond krijgt vijf ton boete van Autoriteit Persoonsgegevens

Kan u dat ook overkomen?

Onlangs kwam in het nieuws dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) aan tennisbond KNLTB een boete oplegt van 525.000 euro voor het verkopen van persoonsgegevens. De bond had in 2018 gegevens van duizenden leden verstrekt aan twee sponsoren, zodat zij hen konden benaderen met aanbiedingen. Kan zoiets ook gebeuren in het onderwijs?

De boete heeft tot verbaasde en zelfs verontwaardigde reacties geleid. Een hoogleraar sportrecht schrijft dat zij de boete disproportioneel vindt en VVD-kamerlid Heerema heeft Kamervragen gesteld. De teneur van de reacties is: waarom zo’n hoge boete? Volgens de AP heeft de tennisbond verzuimd vooraf expliciet toestemming te vragen aan leden om hun gegevens te delen. De AP telt mee dat het om de gegevens gaat van honderdduizenden leden. Ook is de hoogte gerelateerd aan de vermogenspositie van de bond.

Grondslagen voor gegevensverwerking

Hoewel sommigen er geen problemen mee zullen hebben, zijn er ongetwijfeld ook leden van de tennisbond die geen ongevraagde aanbiedingen willen ontvangen. En dat is één van de punten waar de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG, de Europese privacywet) rekening mee wil houden. Voor het doorgeven van persoonsgegevens aan een andere partij moet een organisatie zich kunnen beroepen op één van de grondslagen voor gegevensverwerking, zoals toestemming van de persoon achter de gegevens. Volgens de AP kan verkoop van persoonsgegevens alleen op de grondslag ‘toestemming van betrokkene’ gebeuren. De tennisbond vindt dat zij een ‘gerechtvaardigd belang’ (een andere grondslag uit de AVG) heeft en vroeg de leden daarom niet om toestemming. Althans, niet vooraf.

Onderwijs

Hoe werkt het in de onderwijssector? Alle onderwijsorganisaties delen persoonsgegevens met derden, veelal op basis van een goede grondslag. Denk hierbij aan de uitwisseling tussen PO en VO, met DUO en de leerplichtambtenaar. Het delen van gegevens met deze partijen gebeurt vaak omdat de wet dit voorschrijft (ook een grondslag). Maar ook veel commerciële organisaties krijgen gegevens omdat zij voor de onderwijsorganisatie een bepaalde dienst of taak uitvoeren. Denk aan de leerlingengegevens die worden ingevoerd in bijvoorbeeld ParnaSys, Magister of SOMtoday. Dat is toegestaan, als er een goede grondslag is voor de taak of dienst die de commerciële organisatie voor u uitvoert en deze relatie is afgedekt met een verwerkersovereenkomst. Staat in deze overeenkomst klip en klaar dat de verwerker (de toeleverancier) de gegevens niet zonder uw toestemming met anderen mag delen? En onder welk condities dit wel is toegestaan? De vraag is ook hier of hierbij de juiste grondslag wordt gehanteerd.

Expliciete toestemming

Kan ook uw onderwijsorganisatie een omvangrijke boete van de AP krijgen? Ja, dat kan u ook overkomen. Voor verkoop van persoonsgegevens (ook door uw toeleveranciers of ‘verwerkers’) is expliciete toestemming vooraf noodzakelijk van degene die het betreft (ouders en/of de leerlingen en studenten vanaf 16 jaar). Mondelinge toestemming is niet voldoende, het moet aantoonbaar zijn dat men de toestemming heeft gegeven. Expliciete toestemming betekent dat zonder een bewuste handeling geen toestemming is gegeven. Als standaard het vakje ‘toestemming’ is aangevinkt, voldoet dat niet.

Meer weten?

Heeft u vragen op het terrein van de AVG? Hebt u hulp nodig om uw school of bestuur AVG-proof te maken? Neem vrijblijvend contact op met Bas Vorstermans van Cascade advocaten (06 – 12 75 03 59) of Martin de Goffau, adviseur AVG bij B&T (06 – 30 56 80 22).

Geen transitievergoeding bij herplaatsing?

Is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd als een langdurig arbeidsongeschikte werknemer na twee jaar ziekte wordt herplaatst in een andere functie met een lager salaris? Dat is de inzet van een rechtszaak waar de Hoge Raad zich binnenkort zal moeten buigen. Voordat de Hoge Raad uitspraak doet, brengt de advocaat-generaal advies uit over de voorliggende kwestie. Dit advies wordt door de Hoge Raad niet altijd gevolgd, maar is wel zwaarwegend en vormt een indicatie voor de uitspraak die de Hoge Raad gaat doen.

Waar gaat de zaak over?

Een leerkracht werd ziek. Na 2 jaar oordeelde het UWV dat de werkneemster niet geschikt was voor de eigen functie, maar wel voor de functie van onderwijsassistent. De werkgever herplaatste werkneemster dan ook in deze functie. In de functie van leerkracht had werkneemster een arbeidsomvang van 1,0. Als onderwijsassistent werd zij benoemd voor 0,8. Volgens de bedrijfsarts was dat immers de maximale belastbaarheid. In de Kolom-beschikking is reeds geoordeeld dat een transitievergoeding verschuldigd is bij een structurele vermindering van de arbeidstijd van tenminste 20%. Werkneemster maakte in ieder geval aanspraak op de transitievergoeding wegens vermindering van de arbeidstijd.

Hoe zit het met het inkomensverlies wegens herplaatsing in een lagere functie?

Werkneemster is mening dat zij aanspraak maakt op de transitievergoeding als gevolg van de salarisvermindering wegens herplaatsing in een lagere functie. De vraag die aan de Hoge Raad voorligt is de volgende:

Dient met een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld te worden een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging, met dien verstande dat in dat geval ook recht op een transitievergoeding bestaat naar evenredigheid van de salarisvermindering?

Nee, zegt de advocaat-generaal in haar conclusie van 28 februari 2020. Een van de wettelijke voorwaarden voor beëindiging van het dienstverband dat er geen herplaatsingsmogelijkheden zijn. In onderhavige kwestie was de herplaatsingsmogelijkheid aanwezig. Werkneemster is herplaatst, waardoor het dienstverband niet is beëindigd. Aangezien het dienstverband niet is beëindigd heeft werkneemster geen recht op een transitievergoeding.

De aanspraak op de transitievergoeding is volgens de advocaat-generaal onlosmakelijk verbonden aan het ontslag van een werknemer. Bij herplaatsing in een andere functie wordt een werknemer niet ontslagen. Het dienstverband wordt voortgezet. Bij inkomensverlies als gevolg van herplaatsing maakt de werknemer dus geen aanspraak een transitievergoeding.

Het is nu aan de Hoge Raad om de conclusie al dan niet over te nemen. We wachten het rustig af.

Coronavirus en verplichtingen werkgever/werknemer binnen het onderwijs

Over COVID-19, oftewel het coronavirus, heeft de overheid inmiddels bepaald dat dit een infectieziekte is als bepaald in de Wet publieke gezondheid. Het is belangrijk om te weten dat voor een ziekte als bedoeld in de Wet publieke gezondheid in de onderwijs CAO’s nadere verplichtingen zijn geregeld voor de werkgever en werknemer. Hieronder wordt dit nader uitgelegd. Lees meer

Cascade advocaten sponsort de Run for Kika MARAthon in New York

Kika MARAthon in New York 3

Op zondag 3 november 2019 heeft de 10de editie plaatsgevonden van de marathon van New York voor Stichting Kinderen Kankervrij (KiKa). Ruim 42 kilometer lang en met ca. 50.000 deelnemers is deze marathon de grootste van de wereld. Cascade Advocaten was een van de trotse sponsoren van deze NY marathon door het T-shirt van de drie lopers van Team Mara te sponsoren. In totaal hebben Laurens Bezemer, Lukas van Eeden en Sebastian de Bruijn van Team Mara een mooi bedrag opgehaald van € 38.146,83 voor onderzoek tegen kinderkanker.

Meer lezen? Klik op onderstaande link

https://www.runforkikamarathon.nl/team-mara-Dietvorst

Kika MARAthon in New York 1b Kika MARAthon in New York 2

Kika MARAthon in New York 3

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad: wel of geen transitievergoeding bij salarisvermindering?

In september 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zogenoemde Kolom-zaak waarbij is bepaald dat er een gedeeltelijke transitievergoeding verschuldigd is als er sprake was van een noodzakelijke vermindering van de arbeidsomvang én als de vermindering substantieel (ten minste 20%) en structureel is. Hiervan is sprake in geval van een vermindering van de arbeidsomvang wegens arbeidsongeschiktheid. Sindsdien is dus duidelijk dat werknemers die na twee jaar ziekte bij de eigen werkgever in dienst blijven in een kleinere arbeidsomvang, veelal recht hebben op een transitievergoeding naar rato.

Maar is de werkgever ook een transitievergoeding verschuldigd als de langdurig arbeidsongeschikte werknemer na twee jaar wordt herbenoemd in een andere functie die een lagere inschaling kent? Dat is de inzet van een andere zaak die inmiddels aan het Gerechtshof Amsterdam voorligt, waarbij de werkgever een leerkracht na twee jaar ziekte voor een kleinere arbeidsomvang in de functie van onderwijsassistent had herplaatst. De functie van onderwijsassistent is niet alleen lager ten opzichte van de functie van leerkracht, maar ook minder in arbeidsomvang. De rechtsvraag in deze kwestie is of de werknemer ook recht heeft op een transitievergoeding bij herplaatsing in een lagere functie.

In lijn met de Kolom-uitspraak heeft het Gerechtshof Amsterdam inmiddels bepaald dat er in ieder geval een transitievergoeding verschuldigd is over de vermindering van de arbeidsomvang. Over de andere vraag, dus de vraag of er ook een transitievergoeding verschuldigd is als gevolg van de wijziging van de functie van leerkracht naar onderwijsassistent, vraagt het Gerechtshof zich af of een substantiële en structurele salarisvermindering eveneens aangemerkt dient te worden als een gedeeltelijke beëindiging waardoor de werknemer aanspraak maakt op een transitievergoeding. Deze cruciale vraag staat hier nu centraal in deze procedure, die daarmee een andere dimensie kent dan de Kolom-uitspraak.

Het Gerechtshof heeft hierover op 15 oktober 2019 in een tussenuitspraak zogenaamde prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Dat zijn rechtsvragen waarvan het antwoord rechtstreeks van belang is voor een groot aantal vergelijkbare zaken. De vragen van het Hof zijn:

 “Inleiding

In de beschikking van de Hoge Raad van 14 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1617) wordt, kort samengevat, overwogen dat recht bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding indien sprake is van een structurele en substantiële vermindering van de arbeidsduur (ov. 3.5.6), omdat de werknemer anders, in geval van een latere algehele beëindiging van het dienstverband, een deel van zijn transitievergoeding zou mislopen (ov. 3.5.4).

Vraag

  1. Dient met een vermindering van de arbeidsduur gelijkgesteld te worden een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging, met dien verstande dat in dat geval ook recht op een transitievergoeding bestaat naar evenredigheid van de salarisvermindering?
  2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: gelden voor een dergelijke functiewijziging dezelfde eisen als genoemd in r.o. 3.5.5 van de Kolom- beschikking?
  3. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: geldt dan ook dat het moet gaan om een substantiële en structurele salarisvermindering in dier voege dat het moet gaan om een vermindering van tenminste twintig procent die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn?
  4. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: indien sprake is van zowel een vermindering van arbeidsduur als van salaris, hoe moet in dat geval dan de transitievergoeding worden berekend?”

Tot aan de Kolom-uitspraak was het niet duidelijk dat er een gedeeltelijke transitievergoeding betaald zou moeten worden bij vermindering van de arbeidsomvang. Na beantwoording van bovenstaande vragen zal duidelijk zijn of ook een transitievergoeding betaald moet worden bij vermindering van het salaris wegens wijziging van de functie.

 

Indien u vragen heeft over het bovenstaande, dan kunt u contact opnemen met Cascade advocaten.

Update slapende dienstverbanden

Update slapende dienstverbanden

Een ‘slapend dienstverband’ is een dienstverband waarbij een langdurig arbeidsongeschikte werknemer thuis zit en geen loon meer krijgt, maar door de werkgever toch in dienst wordt gehouden met als (enige) reden dat daardoor de wettelijke transitievergoeding niet hoeft te worden betaald.

Ook onderwijswerkgevers houden het dienstverband van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer soms slapend. Dat ligt in de onderwijssector wel minder voor de hand dan elders, omdat er op basis van de onderwijs-CAO’s ook na 104 weken ziekte een loondoorbetalingsverplichting geldt. Wel kan deze loondoorbetaling vaak verrekend worden met eem door het UWV verstrekte WIA-uitkering.

De voornaamste reden voor werkgevers om het dienstverband van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer slapend te houden, is steeds kostenreductie geweest: Het in dienst houden en re-integreren van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer (gedurende minimaal 104 weken geldt een opzegverbod en een re-integratieplicht) brengt voor een werkgever al hoge kosten met zich, zodat de neiging is verder oplopende kosten door de verschuldigdheid van de transitievergoeding te voorkomen. Dit argument gaat echter niet meer op, omdat inmiddels de Wet compensatie transitievergoeding is aangenomen die regelt dat werkgevers door het UWV worden gecompenseerd voor betaling van de transitievergoeding aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer.

Een ander argument om een dienstverband slapend te houden, heeft betrekking op de arbeidsongeschikte werknemer die bijna de AOW-leeftijd heeft bereikt. Daarbij speelt een rol dat een AOW- of pensioengerechtigde werknemer géén aanspraak heeft op een transitievergoeding. Gevoelsmatig is het tegen die achtergrond krom, dat een werknemer wiens dienstverband vlak voor de pensioengerechtigde leeftijd wordt beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, recht heeft op de transitievergoeding, ondanks dat die vergoeding hoger is dan het loon dat de werknemer tot zijn pensioen zou hebben ontvangen wanneer hij in dienst zou zijn gebleven. Op 5 oktober 2018 heeft de Hoge Raad in de Stichting Katholieke Scholengroep-uitspraak namelijk geoordeeld dat ook in het geval het dienstverband van een werknemer vlak voor de pensioengerechtigde leeftijd wordt beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, recht bestaat op de (volledige) transitievergoeding.

Inmiddels ligt aan de Hoge Raad de vraag voor of een werkgever verplicht is om op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, een slapend dienstverband te beëindigen onder betaling van de transitievergoeding. De rechtbank Limburg heeft hierover zogenaamde prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Voordat de Hoge Raad uitspraak doet, brengt de advocaat-generaal advies uit over de voorliggende kwestie. Dit advies wordt door de Hoge Raad niet altijd gevolgd, maar is wel zwaarwegend en vormt een indicatie voor de uitspraak die de Hoge Raad gaat doen. In de voorliggende kwestie heeft advocaat-generaal De Bock op 18 september 2019 geadviseerd dat een werkgever in beginsel verplicht is om op verzoek van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, een slapend dienstverband te beëindigen, en daarbij ook de transitievergoeding te betalen. Dit omdat het argument dat een werkgever op hoge kosten wordt gejaagd, niet meer opgaat sinds de totstandkoming van de Wet compensatie transitievergoeding. Bovendien is duidelijk dat de wetgever af wil van de ‘slapende dienstverbanden’. Op grond daarvan brengt de eis van ‘goed werkgeverschap’ volgens de advocaat-generaal met zich mee dat een werkgever een werknemer niet in een ‘slapend dienstverband’ mag houden, met als enige reden om de betaling van de transitievergoeding te ontlopen. De slotsom is voor de advocaat-generaal dat de werkgever dus op grond van ‘goed werkgeverschap’ verplicht is in te stemmen met een voorstel van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding.

Uitzondering hierop is mogelijk, als de werkgever overtuigend weet aan te voeren dat de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als er reële re-integratiemogelijkheden zijn voor de werknemer en de werkgever een belang heeft bij het in dienst houden van de werknemer, of er in de periode tot aan de inwerkingtreding van de Wet compensatie transitievergoeding (de compensatie kan vanaf 1 april 2020 worden aangevraagd) financiële problemen bij de werkgever ontstaan door het moeten voorfinancieren van de transitievergoeding.

Wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen, is nog niet bekend, maar het is verstandig te anticiperen op de conclusie van de advocaat-generaal.

Advies nodig in een concrete situatie? Neemt u dan contact op met Cascade advocaten.

Investeren in het schoolgebouw in PO en SO: wat is wel en niet toegestaan?

Investeren in het schoolgebouw in PO en SO: wat is wel en niet toegestaan?

Als onderdeel van de lumpsumfinanciering ontvangt ieder schoolbestuur een bedrag voor het onderhoud en de energiekosten. Dit is de materiële instandhouding. Scholen van primair en speciaal onderwijs mogen de door het Rijk verstrekte lumpsumbekostiging uitsluitend aanwenden voor de bekostiging van het volledige onderwijsproces (inclusief personeelskosten) en de materiële instandhouding van het schoolgebouw (zo vloeit onder meer voort uit artikel 143 WEC en 148 WPO).

Onder de materiële bekostiging wordt verstaan het onderhoud van en aanpassingen aan het gebouw en terrein, energie- en waterverbruik, publiekrechtelijke heffingen (met uitzondering van OZB), middelen, administratie, beheer en bestuur.

De bepalingen in artikel 143 WEC en 148 WPO worden veelal geduid als het “investeringsverbod” Dit is in 2006 ingevoerd na enkele incidenten met schoolbesturen die investeerden in zaken welke niet direct tot de reikwijdte van de lumpsum gerekend konden worden. Zo hebben schoolbesturen in het verleden besloten om een deel van de bekostiging voor materiële instandhouding te investeren in noodzakelijke uitbouw van een school, wanneer de gemeente niet in toereikende bekostiging voorzag. Recent nog werd een schoolbestuur teruggefloten toen het bestuur besloot om lumpsummiddelen in te zetten voor extra vierkante meters binnen een kinderopvangorganisatie. Dit is niet toegestaan, omdat de lumpsum daarvoor niet is bedoeld. Accountants dienen sinds enige tijd om die reden toe te zien op de naleving van het investeringsverbod. OCW heeft dit vastgesteld in het Onderwijsaccountantsprotocol.

Inmiddels is het schoolbesturen verboden rijksmiddelen te besteden aan vierkante meters, of het nu gaat om uitbouw, verbouw of nieuwbouw. De gemeente is hier immers voor verantwoordelijk. De gemeente heeft daarbij de zorgplicht om bij nieuwbouw of renovatie te financieren tot aan het niveau van het Bouwbesluit.

Toch zijn er voor schoolbesturen wel degelijk mogelijkheden om te investeren in de kwaliteit van het gebouw. Het moet dan wel gaan om aanvullende investeringen in aanvulling op het Bouwbesluit. De Inspectie laat het toe om te investeren in de volgende gevallen:

  1. Investeringen met het oog op duurzaamheid zijn toegestaan, om bijvoorbeeld een lager energieverbruik te realiseren of een beter binnenklimaat. Wel is dan de voorwaarde dat de investering goed wordt onderbouwd en zich redelijkerwijs verhoudt tot het eigen vermogen van het schoolbestuur en de tijd waarin de investering zichzelf terugverdient. Raadpleeg altijd tijdig de eigen accountant, alvorens hier besluiten over worden genomen.
  2. In het geval van volledige doorcentralisatie zijn investeringen eveneens toegestaan. Alle middelen dienen dan te worden overgeheveld van de gemeente naar het schoolbestuur. Inspectiecontrole is hier overigens nog steeds wel aan de orde: schoolbesturen doen er goed aan om in dat geval in de verantwoording duidelijk te maken welke middelen aan welk onderdeel zijn besteed.
  3. Bij het inzetten van reserves van vóór 2006, dus voor de invoering van lumpsum, geldt het investeringsverbod ook niet. Oude reserves mogen in dat geval alleen aanvullend worden ingezet op het niveau van het Bouwbesluit zoals dat op dat moment geldt.
  4. Tot slot geldt dat schoolbesturen vanuit investeringen vanuit het privaat vermogen vrij zijn in de bestedingsvorm. Privaat vermogen dat bijvoorbeeld is verkregen uit de verkoop van oude eigendomsscholen, giften of ouderbijdragen, mag volledig vrij worden ingezet. Uit deze private middelen mag dus ook worden geïnvesteerd in extra klaslokalen en dus extra vierkante meters of ruimtes die worden gedeeld met een (kinderopvang)instelling.

Meer informatie nodig? Neemt u dan contact op met Cascade advocaten.

Zal de fusietoets afgeschaft worden?

Zal de fusietoets afgeschaft worden?

In de sectorwetten is geregeld onder welke voorwaarden een fusie voorafgaande toestemming van de minister van OCW behoeft. Afhankelijk van het aantal leerlingen of het aantal scholen is een fusie in het PO, VO en (V)SO al dan niet toetsplichting. Een toetsplichtige fusie kan onder een lichte fusietoets of een inhoudelijke fusietoets vallen.

Eind 2018 is er een wetvoorstel ingediend met het doel om de fusietoets af te schaffen voor het PO, VO en (V)SO.  De wens van de regering is om de afstemming en de besluitvorming over fusies weer terug te brengen naar het lokale niveau. Schoolbesturen krijgen op die manier meer ruimte om zonder inmenging van de minister de lokale samenwerkingen op te zoeken, zodat de keuzevrijheid van ouders en leerlingen gewaarborgd kan blijven.

Indien de fusietoets definitief wordt afgeschaft, zal er nog wel een fusie-effectenrapportage opgesteld moeten worden. Daarnaast zal het college van B&W om advies gevraagd moeten worden en de medezeggenschapsraad zal haar instemmingsbevoegdheid blijven behouden. Middels een amendement is de bevoegdheid van de medezeggenschapsraad in het wetsvoorstel uitgebreid: vanaf het voornemen tot fusie dient het bevoegd gezag regelmatig te overleggen met de medezeggenschapsraad.

In de aanloop naar een wetswijziging heeft de minister besloten om bij toetsplichtige fusies enkel de lichte fusietoets toe te passen. De onafhankelijk adviescommissie (de CFTO) die de minister van advies voorzag bij de inhoudelijke fusietoets is opgeheven per 1 januari 2019.

Op 10 september 2019 is het wetsvoorstel aangenomen met de stemmen van de leden van de fracties van 50PLUS, D66, de VVD, de SGP, het CDA en de ChristenUnie. Deze partijen hebben samen wel een meerderheid in de Tweede Kamer, maar geen meerderheid in de Eerste Kamer. Het is dus nog maar de vraag of het wetsvoorstel zal worden aangenomen in de Eerste Kamer.

Indien het wetsvoorstel wordt verworpen door de Eerste Kamer kan het gevolg daarvan zijn dat de inhoudelijke fusietoets mogelijk weer terug zal komen.

Zodra er meer bekend is zullen wij u hiervan op de hoogte brengen via onze website

Wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ aangenomen door de Tweede Kamer

In een eerder artikel op onze website heeft u kunnen lezen over het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen. Als dit voorstel wet wordt zijn scholen niet meer verplicht om een religieuze of levensbeschouwelijke richting te kiezen voor het oprichten van scholen. Daarnaast zal de belangstelling worden bepaald aan de hand van hetgeen ouders aangeven. Het wetsvoorstel is op 1 oktober 2019 aangenomen door de Tweede Kamer. Daarbij zijn een aantal amendementen aangenomen die het oorspronkelijke wetsvoorstel wijzigen.

Een van de belangrijkste wijzigingen is dat het marktonderzoek niet meer gelijk is aan de ouderverklaringen. In het wetsvoorstel zijn twee methoden opgenomen waarmee de belangstelling aangetoond kan worden: de ouderverklaringen en het marktonderzoek. Middels een amendement is vastgesteld dat de ouderverklaringen als het uitgangspunt zal worden gehanteerd. Het marktonderzoek in niet meer van gelijke waarde zoals eerder opgenomen in het wetsvoorstel. Voor het marktonderzoek is kapitaal vereist. De zorg is dat de mogelijkheid van het marktonderzoek tot kansenongelijkheid zal leiden. Daarom is bepaald dat het marktonderzoek in bepaalde gevallen kan worden ingezet. Deze gevallen zullen in een ministeriële regeling worden opgenomen.

Verder krijgt de gemeente de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De zienswijze zou betrekking kunnen hebben op de inpassingsmogelijkheden in en de gevolgen voor het bestaande onderwijsaanbod, de plaatselijke demografische mogelijkheden, de locaties waar het risico op segregatie speelt en het onderwijsbeleid van de aanvrager.

Een aantal wijzigingen heeft betrekking op de aanvraag. In de aanvraag dient het volgende eveneens opgenomen te worden.

  • informatie over de wijze waarop er met de kinderopvang zal worden samengewerkt;
  • informatie over het beleid met betrekking tot de ouderbijdrage, de hoogte ervan en het jaarlijks verwachte totaalbedrag;
  • informatie over de wijze waarop de gemeentelijke afspraken met betrekking tot de voor- en vroegschoolse educatie en het onderwijsachterstandenbeleid zal worden uitgevoerd;
  • een beschrijving van de wijze waarop de medezeggenschap zal worden ingericht.

Tevens dient de aanvrager die toestemming heeft gekregen om een school op te richten uiterlijk vier maanden voor de start van de school bij de inspectie aan te tonen dat wordt voldaan aan de eisen van bekwaamheid, de onderwijstijd en de scheiding van bestuur en toezicht. Op basis daarvan kan de inspectie de Minister adviseren om maatregelen te treffen voor de start van de school.

Voor het voortgezet onderwijs is in het wetsvoorstel opgenomen dat het bevoegd gezag van een zeer zwakke school geen nieuwe nevenvestiging kan starten.

Indien de Eerste Kamer het wetsvoorstel binnen enkele maanden aanneemt kunnen de eerste aanvragen mogelijk al voor de zomer ingediend worden.