Investeren in het schoolgebouw in PO en SO: wat is wel en niet toegestaan?

Investeren in het schoolgebouw in PO en SO: wat is wel en niet toegestaan?

Als onderdeel van de lumpsumfinanciering ontvangt ieder schoolbestuur een bedrag voor het onderhoud en de energiekosten. Dit is de materiële instandhouding. Scholen van primair en speciaal onderwijs mogen de door het Rijk verstrekte lumpsumbekostiging uitsluitend aanwenden voor de bekostiging van het volledige onderwijsproces (inclusief personeelskosten) en de materiële instandhouding van het schoolgebouw (zo vloeit onder meer voort uit artikel 143 WEC en 148 WPO).

Onder de materiële bekostiging wordt verstaan het onderhoud van en aanpassingen aan het gebouw en terrein, energie- en waterverbruik, publiekrechtelijke heffingen (met uitzondering van OZB), middelen, administratie, beheer en bestuur.

De bepalingen in artikel 143 WEC en 148 WPO worden veelal geduid als het “investeringsverbod” Dit is in 2006 ingevoerd na enkele incidenten met schoolbesturen die investeerden in zaken welke niet direct tot de reikwijdte van de lumpsum gerekend konden worden. Zo hebben schoolbesturen in het verleden besloten om een deel van de bekostiging voor materiële instandhouding te investeren in noodzakelijke uitbouw van een school, wanneer de gemeente niet in toereikende bekostiging voorzag. Recent nog werd een schoolbestuur teruggefloten toen het bestuur besloot om lumpsummiddelen in te zetten voor extra vierkante meters binnen een kinderopvangorganisatie. Dit is niet toegestaan, omdat de lumpsum daarvoor niet is bedoeld. Accountants dienen sinds enige tijd om die reden toe te zien op de naleving van het investeringsverbod. OCW heeft dit vastgesteld in het Onderwijsaccountantsprotocol.

Inmiddels is het schoolbesturen verboden rijksmiddelen te besteden aan vierkante meters, of het nu gaat om uitbouw, verbouw of nieuwbouw. De gemeente is hier immers voor verantwoordelijk. De gemeente heeft daarbij de zorgplicht om bij nieuwbouw of renovatie te financieren tot aan het niveau van het Bouwbesluit.

Toch zijn er voor schoolbesturen wel degelijk mogelijkheden om te investeren in de kwaliteit van het gebouw. Het moet dan wel gaan om aanvullende investeringen in aanvulling op het Bouwbesluit. De Inspectie laat het toe om te investeren in de volgende gevallen:

  1. Investeringen met het oog op duurzaamheid zijn toegestaan, om bijvoorbeeld een lager energieverbruik te realiseren of een beter binnenklimaat. Wel is dan de voorwaarde dat de investering goed wordt onderbouwd en zich redelijkerwijs verhoudt tot het eigen vermogen van het schoolbestuur en de tijd waarin de investering zichzelf terugverdient. Raadpleeg altijd tijdig de eigen accountant, alvorens hier besluiten over worden genomen.
  2. In het geval van volledige doorcentralisatie zijn investeringen eveneens toegestaan. Alle middelen dienen dan te worden overgeheveld van de gemeente naar het schoolbestuur. Inspectiecontrole is hier overigens nog steeds wel aan de orde: schoolbesturen doen er goed aan om in dat geval in de verantwoording duidelijk te maken welke middelen aan welk onderdeel zijn besteed.
  3. Bij het inzetten van reserves van vóór 2006, dus voor de invoering van lumpsum, geldt het investeringsverbod ook niet. Oude reserves mogen in dat geval alleen aanvullend worden ingezet op het niveau van het Bouwbesluit zoals dat op dat moment geldt.
  4. Tot slot geldt dat schoolbesturen vanuit investeringen vanuit het privaat vermogen vrij zijn in de bestedingsvorm. Privaat vermogen dat bijvoorbeeld is verkregen uit de verkoop van oude eigendomsscholen, giften of ouderbijdragen, mag volledig vrij worden ingezet. Uit deze private middelen mag dus ook worden geïnvesteerd in extra klaslokalen en dus extra vierkante meters of ruimtes die worden gedeeld met een (kinderopvang)instelling.

Meer informatie nodig? Neemt u dan contact op met Cascade advocaten.